De laatste keer dat we elkaar zagen, waren we twaalf en dertien jaar. Hij al volgroeid, ik met het soort borsten dat zich nog niet echt durft te vertonen. Onze verliefdheid leek daarop: schuchter en onaf. We hadden elkaar nog nooit gekust. We liepen hand in hand op plaatsen waar we niet alleen zouden komen en vertelden elkaar de dingen waarvan we dachten dat volwassen minnaars elkaar deelgenoot zouden maken: ontdekkingen in de jungle van de muziek, voorkeuren voor voedsel, de inhoud van films en dromen. Maar afgezien van onze handen kenden onze lichamen elkaar niet.

Met een pilsje-na-het-werk in mijn handen, rondkijkend naar degene die ik in die kroeg zou treffen, zag ik hem staan. Ik wist meteen wie hij was, die ranke blonde jongen in zijn leren jasje, een kop kleiner dan ik, die met zijn rug naar de bar achteloos de andere cafégangers stond te bekijken. Hij glimlachte me toe, eerst als naar een onbekende vrouw die belangstelling voor hem leek te hebben, toen breder, en met zelfs iets van verrukking, omdat hij in mij zijn eerste vriendinnetje herkende.

Ik liep naar hem toe. Hij was niet mijn type; ik was hem boven het hoofd gegroeid en de laatste jaren was ik vooral op donkere mannen gevallen. Toch zorgde ik ervoor dat mijn korte rok op zijn plaats zat en mijn heupen lichtjes wiegden. Ik moest hem de vrouw laten zien die ik geworden was, iemand die heel wat meer durf had gekregen en meer van mannen wist dan de textuur van hun handpalmen. Zijn glimlach vervaagde en zijn blik veranderde. Ik kon toen niet lezen wat hij dacht; terugkijkend, weet ik het. Hij hief zijn handen alsof hij ze op mijn schouders wilde leggen, maar hield midden in het gebaar op.
‘Hai,’ zei hij. En glimlachte weer. ‘Het gaat goed met je, zo te zien.’

Ik wilde hem zoenen, maar wist niet waar en hoe, en net als hij deinsde ik terug. Ik bekeek hem nog eens. Zijn houding leek veranderd, zijn lichaam had een soort homoseksuele mannelijkheid gekregen. Het had de achteloze kalmte en de toch nauwelijks verborgen honger die jongens laten zien aan andere jongens. Zijn bekken in de strakke broek was iets naar voren gekanteld, zijn schouders kromden zich beschermend om zijn hart. De geur van leer omhulde hem.

‘Je bent veranderd,’ zei ik. Waar kwam deze plotselinge vertrouwelijkheid vandaan? Vroeger hadden we alleen over onbeduidende dingen gesproken, nu leken we dat stadium in één klap achter ons te hebben gelaten.
‘Jij hebt zeker ook een afspraak.’ Het was een uitnodiging.
‘Ja. Maar we zouden elkaar weer kunnen treffen. Morgen misschien. Hier?’
‘Goed,’ zei hij.

Toen ik later naar huis ging, vroeg ik me af of hij tegenwoordig soms op jongens viel. Zijn ogen waren niet één keer afgedwaald naar mijn borsten, waar andere mannen toch nooit omheen schenen te kunnen kijken. Wel waren ze langs mijn blote benen gegleden, maar mijn benen hadden ook die van een tenger gebouwde jongen kunnen zijn.
We hadden geen tijdstip afgesproken, maar hij was er al toen ik kwam. Hij bestelde bier voor me zonder te vragen of ik dat wou; ondanks de jaren die tussen ons en die verlegen kinderen lagen, leek hij me te kennen. Hij gaf een andere uitleg: ‘Als een van de twee bier drinkt, moet de ander het ook doen. Een kwestie van botsende geuren. Je bent mooi.’ Dat laatste werd op dezelfde toon gezegd, alsof het, zoals vroeger, een mededeling was over een plaat die hij gekocht had of een film die hij had gezien.
Niet je type, zei ik tegen mezelf, maar ik betrapte me erop dat ik naar de rits van zijn broek keek, die een grotere bocht maakte dan je afgaand op zijn kleine gestalte zou verwachten. Zelf droeg ik net zo’n strakke spijkerbroek als hij, deze keer met een topje dat een deel van mijn borsten bloot liet. Het leek me een nuttige test die teleurstellingen zou voorkomen.

We wisselden gegevens uit: wat ik deed, wat hij deed, met wie we gisteren uit waren geweest, dat ik een relatie had en hij niet. Toen begon hij over muziek, wat zijn vak geworden was, en ik glimlachte en zei: ‘Alsjeblieft, ik begreep er vroeger al geen woord van. Met muziek doe ik niets anders dan ernaar luisteren. Die namen die je over me uitstort zeggen me niets.’

Hij bekeek me verbaasd. Vroeger was het een van onze voornaamste gespreksonderwerpen geweest. Ik gaf hem de verontschuldigende blik waarmee ik hem beter twaalf jaar geleden al duidelijk had kunnen maken dat mij andere dingen interesseerden.
Een uur verstreek. In dat uur verloor ik iets van mijn vrouw-met-ervaring-zelfvertrouwen en veel van mijn spraakzaamheid. Een deel van mij werd weer het meisje dat opgekeken had naar de oudere jongen. Toch verdween de vertrouwelijkheid niet. Hij vertelde me over de kaarten die ik hem gestuurd had in de zomervakantie dat onze liefde verdampte onder de zon van verschillende reisbestemmingen. Hij had ze bewaard.
‘Wat stond erop?’ vroeg ik lachend. ‘Wel gênant zeker?’
‘Nee, Ik vond het alleen jammer dat het geen brieven waren.’
‘Dat durfde ik niet. Je zou ze tegen me kunnen gebruiken.’
‘Ik zou ze hebben kunnen herlezen. Maar die kaarten waren ook lief. Wil je ze zien?’

We gingen naar zijn huis en zochten de kaarten op. Het ronde handschrift en de onbeholpen tekst die vooral veel onthulde door de manier waarop hij probeerde te vérhullen, toonden me een kind waarvan ik niet wist dat ik het geweest was. Eronder stonden de drie sterretjes die we, zonder dat ooit uitgesproken te hebben, gebruikten als symbool voor de kussen die we in werkelijkheid niet durfden te wisselen. Dat maakte me aan het blozen, maar ik zei niets. Hij had de kaarten als een schat bewaard en het was niet in mijn belang daar iets aan af te doen.

Er was een film op televisie die hij wilde zien: 39 Steps van Hitchcock, en ik vond het goed dat hij de televisie aanzette. We keken op zijn bed, eerst zittend, toen half tegen het hoofdeinde geleund, met elk een flesje bier naast ons als een paar dat al te lang bij elkaar is om nog glazen nodig te hebben. De scène kwam waarin de hoofdpersoon zich niet van zijn boeien kon ontdoen. Zijn handen waren achter zijn rug gebonden.
‘zou je niet door je armen kunnen kruipen en zo loskomen?’ vroeg ik me af. We discussieerden erover, sloten ten slotte een weddenschap. Hij verdween en kwam even later terug met een stuk elektriciteitssnoer.
‘Doe je armen eens op je rug.’
Net als het verlegen meisje van vroeger gehoorzaamde ik. Hij was een flinke tijd bezig en trok het snoer strak aan. Het klemde mijn polsen pijnlijk bij elkaar, maar ik zei niets. Het experiment zou niet lang duren.
‘Klaar. Probeer maar.’
Ik begon aan een lachende worsteling, die aantoonde dat ik misschien los had kunnen komen als ik een man was geweest, maar ook dat mijn heupen nu te rond waren voor mijn armen om te passeren.

Ik wilde niet opgeven en bovendien nam iets anders bezit van me. Het was iets in zijn blik – datzelfde wat ik er de eerste avond in de kroeg in had bespeurd. Iets van een fascinatie die maakte dat zijn mond half openstond en zijn blik iets straks kreeg. Ik begon een spel te spelen, liet mijn lach wegglippen en nam een verbeten uitdrukking aan, en liet het geworstel wanhopiger lijken dan het was.
‘Het lukt niet,’ zei ik ten slotte. ‘Jij hebt gewonnen.’
‘Ja,’ zei hij.

We hadden geen beloning afgesproken. En toen hij nieuw bier ging halen en terugkwam zonder aanstalten te maken mijn boeien los te maken, me integendeel het flesje voorhield en me liet drinken, begreep ik wat zijn beloning inhield. Ik zou gebonden blijven tot het moment dat hij besliste dat het genoeg was.
Voor ik verder ga, moet ik zeggen dat ik mijn vroegere vriendje na die avond en nacht nooit meer heb teruggezien. Maar het werd een lange, en in genoeg opzichten gedenkwaardige nacht. Een nacht bovendien waar ik geen, spijt van heb, ondanks de bizarre gebeurtenissen die volgden. Integendeel.
Toen ik me realiseerde dat het spel nog niet afgelopen was, had ik even moeite met mijn houding. Mijn polsen deden pijn, maar ik begreep dat ik niet het recht had dat te zeggen. Of wel? Maakte dat deel uit van het spel, van het genoegen, de beloning? Waarom wist ik niets af van deze vorm van spelen? Onzekerheid metselde mijn mond dicht.

Maar wat moest ik nu? Ik had nog het gebruik van mijn benen, maar waar zou ik ze voor moeten gebruiken? Het bier stond naast het bed, de film was nog aan de gang, buiten de slaapkamer was niets dat me trok. Er restte me niets anders dan de passieve houding die ik tijdens onze pubervrijage lang geleden aangenomen had. Noodgedwongen – net als nu. Ik ging liggen, op de knobbel onder mijn rug, en deed of ik naar de film keek. Om dat geloofwaardig te maken, maakte ik zo nu en dan een opmerking over de plot.
Ook de blik van mijn cipier kleefde aanvankelijk aan het scherm. Maar zodra ik weer helemaal in het verhaal zat, maakte hij zich ervan los en ik voelde dat hij mij van opzij lag te bekijken. Het topje dat aan het begin van de avond zo doelmatig geleken had, gaf me nu een onbeschermd gevoel. Door mijn half liggende positie bolden mijn borsten naar buiten met een obscene brutaliteit, en ik voelde dat hij voor die dubbele bolling wel degelijk belangstelling had. Zijn blik werd voelbaar. Mijn tepels reageerden; ook al iets wat het textiel niet verborgen hield. Na een tijdje liet hij alle schijn varen dat hij de film volgde; hij steunde zijn hoofd op zijn gebogen arm en keek. Naar mij. De puntjes in het katoen staken nog verder naar boven. Ik werd me bewust van het verlangen dat hij iets dééd.
Het was een ander gevoél dan al die jaren geleden, toen zijn gebrek aan doortastendheid te wijten was aan een vaag soort angst of schaamte. Toen wist ik nog niet welke gevoelens hij bij me zou kunnen oproepen als… Maar nu was ik door de wol geverfd – meer dan één man had zijn sporen op mij nagelaten. Mijn lichaam was ingesteld op de snelle bevrediging van opkomende wellust. Handen waar ik verlangen voelde, een tong waar het brandde, vingers die de minste beweging van mijn heupen volgden.

Terwijl nu… er gebeurde niets. Hij keek, dat was alles.

Zonder dat het tot me doorgedrongen was dat het verhaal zijn climax bereikt had, klonk opeens de eindmuziek door de kleine ruimte en ontrolde zich de ouderwetse aftiteling. Even werd ik besprongen door paniek, zoals die keer, lang geleden, dat hij me mee naar buiten had getroond om me te vertellen dat ik mooie ogen had. Dat was de enige keer dat hij genoeg moed verzameld had om me te zoenen. Maar ik deinsde terug, zei stellig dat mijn ogen het aanzien niet waard waren, waarop hij de enig mogelijke, maar wel onjuiste conclusie trok dat ik niet wilde en weer naar binnen ging, waar zich een feestje afspeelde dat ons geen van beiden kon amuseren… Faalangst. Ik was weer twaalf.
Toen kwam hij overeind, zette de televisie uit en bleef zitten aan het voeteneind. Mijn paniekgevoel verdween en maakte plaats voor verwachting. Nu zou het gebeuren. De zoen die ik die avond lang geleden de grond in had geboord, kwam eraan. De handen die ik alleen met mijn eigen handen had aangeraakt zouden nu mijn lichaam verkennen, zijn tong zou het gebaande pad volgen, ergens in deze nacht zou me een uitgestelde bevrediging van mijn kinderverlangen ten deel vallen.

Hij keek. Zijn blik gleed ongegeneerd langs mijn benen, die nu zoveel langer waren dan de zijne, mijn romp, mijn hals, mijn haar (ik wist dat hij hield van mijn haar. Het was nog even lang en dik als vroeger, alleen droeg ik het nu los, zoals hij vroeger vaak voorgesteld had) en mijn gezicht. Zijn blik hield de mijne vast. Ik voelde het bloed mijn hals en hoofd bereiken, maar ik vond het niet erg. Hij was een deel van mijn verleden, hij had kaarten van mij in een kinderhandschrift, hij was mijn maatje, mijn vriendje – hij mocht. Hij mocht alles van me weten, alles met me doen.
Maar hij raakte me niet aan. Nadat er weer een tijd verlopen was, maakte hij de rits van mijn broek open en schoof hem omlaag, alles zonder ergens mijn huid te raken. Ik kon hem op geen andere manier helpen dan door mijn heupen op te tillen, en zelfs dat was bijna nutteloos omdat mijn billen daardoor op mijn handen kwamen te rusten. Op de een of andere manier slaagde hij erin mijn broek af te stropen zonder één bruuske beweging. paar lag ik, nog gekleed in een slipje en een topje, machteloos, maar willig onder zijn blik. Onwillekeurig drukte ik mijn dijbenen tegen elkaar aan. Hij zag het natuurlijk en glimlachte. Het leek opeens onmogelijk geworden om nog te praten.

Zijn ogen hechtten zich nu aan mijn benen, daar waar ze bij elkaar kwamen, en aan het doorschijnende zwart van mijn slipje. Zoals altijd had ik ervoor gezorgd dat ik ook onder mijn bovenkleding toonbaar was. Vaak genoeg was ik door alcoholgebruik gedwongen geweest ergens in de stad te overnachten. Het was niet iets waar mijn vriend van opkeek. Ik keek naar zijn gezicht. Het had een vreemde uitdrukking. Het straalde een soort devotie uit gemengd met milde geamuseerdheid. De onwillekeurige bewegingen van mijn heupen leken een bron van plezier voor hem. .

Ter zake, smeekte ik hem woordeloos, doe iets, raak me aan, gebruik je handen in plaats van je blik.

Maar ik wist dat hij, ook al zou ik die woorden uitspreken, slechts zou blijven glimlachen, met een mannelijke passiviteit die me gek zou maken.
Gek maakte. Want ik zei niets en hij deed niets, behalve dan met zijn blik, die onderhand een intensiteit bereikte die me naar zijn gulp deed kijken. De bobbel daar was gegroeid. Ik zag het met opluchting, want gingen niet alle mannen als het eenmaal zover was tot actie over? Ik popelde om, gesteld dat ik mijn handen vrij had, die bobbel te strelen en het steigerend deel te bevrijden, en ik kon me niet inhouden: ik vroeg het.
‘Maak mijn handen los, ik wil je zien.’
Alleen de lach in zijn ogen vernauwde zich, verder was er geen reactie. Weer liet hij zijn blik naar boven glijden zonder zijn handen te laten volgen.
Wat wil hij, dacht ik verward. Wil hij alleen maar wraak, wil hij me in zijn macht hebben op een manier die hij vroeger niet beheerste? Maar daar voor keek hij te aardig, straalde zijn lichaam te veel tederheid uit. Dit was geen machtswellust. Het was iets anders, iets dat ik nog niet kende.

Eindelijk raakte hij me aan. Hij pakte me bij mijn schouders en hielp me overeind. Hij probeerde mijn topje uit te trekken, maar hoewel dat een bepaald soort goochelaars wel lijkt te lukken, kreeg hij het niet voor elkaar. Ten slotte greep hij de voorkant bij de v-hals stevig beet en trok. Ik vond het niet erg dat hij het kledingstuk scheurde. Op dat moment was ik elk besef dat ik ook weer naar huis zou moeten verloren. Ik dacht maar aan één ding: nu ging er wat gebeuren.
Het lapje dat mijn lievelingskledingstuk geweest was, viel achter me neer. Met zachte hand duwde hij me terug op het kussen. Ik dacht aan zijn handpalmen. Ze leken eeltiger geworden. Meer dan vroeger lieten ze een impressie na op mijn huid. Maar het waren mijn schouders die hij aangeraakt had, en ik wilde hem lager voelen, hoger, op meer plaatsen, overal.

Ik lag achterover, en mijn tepels, zag ik, waren zich weer bewust geworden van hun bestaan. Ze staken hun kopjes pront de wereld in, onafhankelijk van mijn wil. Ik bloosde weer, maar hij keek niet naar mijn gezicht. Hij keek naar waar ik niet wilde, en tegelijk hevig wilde, dat hij keek. Mijn borsten waren gegroeid sinds hij ze het laatst gezien had (niet naakt – in een zwempak). Ik hoopte dat hij opgewassen was tegen hun formaat.
Met één vinger raakte hij even een litteken aan, het gevolg van een vallende vuurkegel na een vrijage. Het zit vlak naast mijn linkertepel. Zijn vingertop voelde als dat gloeiende puntje van toen. Zo voelde het werkelijk, terwijl ik toch weet dat in een litteken geen zenuwuiteinden zitten.

‘Dat zat er vroeger niet.’
Ik wilde omstandig een uitleg gaan geven, maar met een handgebaar hield hij me tegen. Meneer Pavlov, dacht ik, u bent de uitvinder van de mensheid. Ik ben twaalf en ik doe niets.
Maar mijn lijf reageerde anders dan dat van een twaalfjarige. Ik kon hem al in me voelen, de wanden van mijn vagina klopten in een te vroege respons. Ik drukte mijn benen tegen elkaar in een verlegen poging te verbergen dat ik nat werd. En ook omdat dat het enige was wat ik kon doen.
Zijn blik verlegde zich nu weer naar beneden, bestreek mijn benen, waar hij nu schrijlings overheen zat zonder ze aan te raken, en bleef liggen op het polletje haar bovenaan. Hoewel dat belachelijk was, schaamde ik me plotseling voor de overvloedigheid daarvan.
Zonder zijn blik af te wenden, ging hij verzitten en spreidde met zachte hand mijn benen. Ik zag aan zijn ogen dat het daartussen glinsterde. Hij knielde tussen mijn knieën, en boog zijn hoofd. Ik sloot mijn ogen.

Eindelijk dan; het verlangen was bijna fysiek voelbaar als een druk op mijn schaamlippen.

Maar na een tijd van wachten moest ik ze weer openen. Hij leek het te merken en keek op, een glimlach in zijn ooghoeken. Opnieuw had hij alleen maar gekeken, met een beheerste gretigheid waarvan ik niet geweten had dat die bestond.
Mijn rug trok hol in een poging mijn geilheid in zijn gezicht te drukken, maar hij ging tegen het voeteneind zitten en keek.
‘Maak me los,’ zei ik, ‘ik heb dorst.’ Hij stond zonder iets te zeggen op, haalde een glas water voor me, en liet me drinken. Expres liet ik wat water langs mijn mond druppelen, over mijn kin rollen tot op mijn borst, in de hoop dat hij het af zou likken. Hij keek ernaar, maar raakte het zelfs niet met zijn vinger aan. Langzaam, net zo langzaam als ik van binnen verteerde door een hardnekkig vuur, droogde het op.
Ik leerde zijn blikken te lezen. Aan de wisseling van intensiteit zag ik of hij bezig was me te strelen, te zoenen of te likken. Zijn fantasie straalde naar buiten en sloeg op me over; toen ik er gevoelig voor geworden was, voelde ik wat hij dacht: hij liet zijn tong van mijn hals, net onder mijn borst langs naar mijn liezen glijden. Daar vertoefde hij lange tijd, likkend ook, of misschien zachtjes zuigend. Vocht stroomde tussen mijn schaamlippen vandaan op het dekbed. Ik voelde hoe hij het zachtjes uitstreek over mijn dijen, tot ik overal kleverig werd.

En daar waren zijn tong en zijn lippen weer, mijn orgasme was vlakbij, vlakbij… maar ik kon het niet te pakken krijgen. Als hij me maar éven aan zou raken…!

Ergens in die nacht trok hij zijn kleren uit. Eindelijk zag ik wat hij verborgen had gehouden: een schuchter jongenslichaam, blank, onbehaard, alleen in het midden van een overweldigende mannelijkheid. Ik kwam overeind – mijn mond was niet geboeid – om hem te proeven, maar hij stapte buiten mijn bereik. Even sloot hij zijn ogen, en ik wist dat ik hem nu pijpte – maar ook mijn mond kwam niet aan zijn trekken. Het verlangen kwam nu in golven, ebde weg als ik door slaap overmand werd, maar dan schoot ik wakker uit een net zo intense droom waarin mannen en vrouwen gillend om me heen sprongen, terwijl ik me naakt en hunkerend in hun armen probeerde te gooien, en dan was het er weer net zo hevig, het verlangen naar zijn aanraking, naar hem in mij.
Toen de ochtend de kamer binnenkwam, kleedde hij zich zwijgend aan, gaf me nog wat water, legde de deken over me heen en zei dat hij zo terug zou komen. Het duurde een minuut of twintig. ik was niet bang: ik wist dat hij, als hij me kon boeien, niet in staat zou zijn me kwaad te doen. Ik doezelde weg. Toen hij terugkwam, schrok ik even: hij was niet alleen. Hij had een vriend bij zich, die slaperig uit zijn ogen keek. Hij droeg een spijkerjack en laarzen, en was in alle opzichten mijn type. Lang, donker, sterk. Mijn geilheid was door het dutje niet verdwenen, en ik hoopte dat dit de climax zou zijn: dat de donkere vriend mocht afmaken wat hij niet had willen doen.

‘Kan een van jullie alsjeblieft met me neuken?

vroeg ik zelfs, want in de loop van de nacht was ik veel ouder geworden dan twaalf. Maar mijn-vriendje-van-vroeger schudde zijn hoofd, ontblootte mijn benen en zei tegen de donkere jongen: ‘Daar.’ De vriend haalde allerlei gereedschap uit een tas, en ik dacht aan martelwerktuigen, maar het kon me niet meer schelen. Ze mochten alles met me doen, ik vond het goed. Zelfs pijn zou ik nu hebben toegejuicht, als die maar veroorzaakt werd door een lichamelijke aanraking. De jongen had opeens een wegwerpmesje in zijn handen, schoor een stukje in mijn lies kaal. Het deed geen pijn. Koel en klinisch depte hij het plekje met een scherp ruikende vloeistof, en toen begon er opeens iets te brommen als een elektrisch scheerapparaat. Maar het zag er niet uit als een vibrator. Mijn mond werd droog.

“Wat ga je doen?’ vroeg ik.
‘Het doet geen pijn,’ zei de donkere jongen vriendelijk. ‘Maar je moet wel stilliggen.’
Het apparaatje naderde mijn dijbeen, zwarte verf bubbelde aan het puntje, en nu zag ik opeens wat hij ging doen. Toen het naaldje me raakte, schokte mijn onderlijf wild. Zo lang had ik op een aanraking moeten wachten! Mijn huid tintelde, in mijn buik kriebelde het. Maar de jongen werkte snel en zakelijk.
Het is een mooie, bescheiden tatoeage. Drie sterretjes, als de zoentjes die we elkaar vroeger ook niet gaven, verschuilen zich in mijn lies, onzichtbaar, behalve voor iemand die mijn benen spreidt. Mijn vriend geloofde heel gemakkelijk dat ik hem zelf had laten zetten. Hij was zelfs gevleid door de moeite die ik had gedaan hem te behagen.

Toen de vriend met zijn koffertje vertrokken was, ging mijn cipier op de opstaande rand aan het voeteneind van het bed zitten. Hij maakte zijn broek open en haalde zijn jongensdeel tevoorschijn. Nog steeds raakte hij me niet aan. Hij keek naar mijn lijf, de armloze romp, naar de borsten die ik hem aanbood en mijn buik die ik omhoog stak, naar de kletsnatte krulletjes tussen mijn benen en het roze knopje dat zelfs ik omhoog kon zien steken. Toen sloot hij, voor het eerst die nacht, zijn ogen en trok zich af. Nu was ik degene die keek. Ik keek naar het wilde schokken van zijn heupen, naar het klemmen van zijn vuist en de donkerroze kop die zich er nu eens in verborg, dan weer eruit stak, in een razend tempo. Het tempo van mijn eigen hartslag. ‘Kom,’ vroeg ik geluidloos, ‘kom. Nu.’ En daar kwam het: fontein, regensluier, waterval; een grote boog naar mijn lendenen, mijn liezen, en de drie sterretjes.

Hij deed zijn ogen open.
‘Je bent mooi,’ zei hij, en maakte mijn handen los.

Mijn polsen deden nog vijf weken pijn. Elke keer als ik door een verkeerde beweging die pijn voelde, ging er een scheut door mijn liezen die het nodig maakte dat ik me onmiddellijk ergens terugtrok waar niemand kon zien wat mijn vingers deden.