Seksuele parafilieën worden door seksuologen, psychiaters en psychotherapeuten verstaan als seksuele gedragingen die afwijken van de heersende normen. Seksuele parafilieën of ook wel ‘bijzondere seksuele voorkeuren’ worden door het boek de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (kort: de DSM) gecategoriseerd en gedefinieerd. De DSM is een internationale handleiding voor de “classificatie van psychische stoornissen die ontwikkeld is [door de American Psychiatric Association] voor gebruik bij hulpverlening, opleiding en onderzoek.”[1] De handleiding wordt elke paar jaar herzien, aan de hand van nieuwe onderzoeken en veranderende sociale normen. De laatste versie, de DSM-5, is uitgebracht in 2013. Omdat ‘gezond’ en ‘normaal’ gedrag altijd afhankelijk is van de maatschappelijke context, reflecteert de DSM de sociale normen van de Westerse samenleving. Door de jaren heen zijn de beschreven seksuele parafilieën in de DSM daardoor verschillend van aard. Wat wordt hier nu precies bedoeld met afwijkend? En hoe kan het dat het ene seksuele gedrag als normaal en algemeen wordt geclassificeerd en het andere seksuele gedrag als abnormaal of zelfs als schadelijk? En vooral: wie bepaalt dat?

Seksueel gewenst gedrag is afhankelijk van de sociale normen van de tijd waarin we leven. In de 19e eeuw werd masturbatie bijvoorbeeld gezien als seksueel afwijkend gedrag. Masturberende handelingen werden destijds door artsen hoofdzakelijk waargenomen bij mensen die geestelijk ziek waren, wat tot het heersende idee leidde dat masturbatie geestelijke ziektes veroorzaakte.[2] Door artsen werd er dan ook voor gewaarschuwd bij het brede publiek. Pas in de jaren ’50 ontdekte de bioloog Kinsey dat masturbatie in de hele Verenigde Staten onder 96% van de mannen en 63% van de vrouwen voorkwam. En omdat het niet mogelijk was dat al deze mensen te lijden hadden onder een geestelijke stoornis, werd geconcludeerd dat masturbatie geen oorzaak kon zijn voor geestelijke ziektes.[3] Tegenwoordig classificeren we masturbatie dan ook als ‘normaal’ seksueel gedrag. Het onderzoek van Kinsey uit de jaren ’50 zorgt voor een interessant inzicht: seksueel gedrag dat veelvuldig voorkomt, wordt gezien als ‘normaal’ seksueel gedrag en derhalve gedefinieerd als de norm. Betekent dit dan dat seksueel gedrag dat minder zichtbaar is daadwerkelijk ook minder voorkomt (en dus als een parafilie kan worden beschouwd), of is seksueel gedrag dat wel overeenkomt met onze sociale verwachtingen gewoon vaker zichtbaar?

Het idee dat bepaald seksueel gedrag niet als ‘normaal’ wordt gezien, zorgt ervoor dat mensen minder sneller geneigd zijn om hier zichtbaarheid aan te geven. Het sociale idee in andere culturen waarin homoseksualiteit wordt gezien als ‘abnormaal’, leidt ertoe dat in veel landen in de wereld homoseksualiteit wordt omschreven als een ‘Westers fenomeen’,[4] dat in hun eigen samenleving niet bestaat.[5] Het is natuurlijk onzin om te zeggen dat homoseksualiteit enkel voorkomt in Westerse samenlevingen. Naast de sociale norm, is in veel landen homoseksualiteit nog strafbaar, waardoor mensen hier ook niet snel voor uit zullen komen. Het feit dat je het niet ziet, wil niet zeggen dat het er niet is of dat het maar zelden voorkomt. Ditzelfde geldt echter voor de seksuele gedragingen die wij in onze samenleving als ‘afwijkend’ beschouwen. Het is slechts minder zichtbaar omdat het niet voldoet aan de sociale verwachtingen.

‘Het feit dat je het niet ziet, wil niet zeggen dat het er niet is of dat het maar zelden voorkomt.’

Homoseksualiteit is een goed voorbeeld van de relativiteit van de DSM als handleiding: het werd in de eerste (1952) en tweede (1968) versie van de DSM gelabeld als ‘seksuele oriëntatiestoornis’[6] en pas in 1973, na veranderende sociale normen, verwijderd toen de derde versie van de DSM uitkwam.[7] In een opiniestuk in Trouw beargumenteert hoofddocent Laura Batstra, dat zelfs als onderzoekers tegenwoordig zouden ontdekken dat homoseksualiteit in vergelijking tot heteroseksualiteit bijvoorbeeld een andere hersenstructuur met zich mee zou brengen, dit er niet toe zou leiden dat homoseksualiteit opnieuw als stoornis of parafilie in de DSM opgenomen zou worden.[8] Simpelweg omdat onze sociale norm veranderd is en we het erg vreemd zouden vinden als homoseksualiteit opeens als ‘afwijkend’ zou worden beschouwd. Dit toont aan dat sociale ideeën rondom (onder andere) seksualiteit bepalend kunnen zijn in wat wij als Westerse samenleving ‘normaal’ (en dus gezond of zelfs legaal) gedrag vinden. Normaal seksueel gedrag mag een plaats krijgen in de samenleving; het mag legaal beoefend worden, er mag vrijuit over gesproken worden, er zijn institutionele regels die dit faciliteren; het wordt onderdeel van ons dagelijks leven.

Een seksuele uiting die in de nieuwste versie van de DSM nog steeds als parafilie staat beschreven, is BDSM (Bondage-Discipline-Sadisme-Masochisme). De laatste jaren krijgt BDSM echter meer zichtbaarheid door boeken en films (zoals het populaire 50 Shades of Grey), en lijkt daardoor minder een seksueel taboe te zijn dan vroeger. Het internet helpt ook om seksuele parafilieën sneller uit de taboesfeer te trekken. Het is makkelijker om anoniem op zoek te gaan naar gelijkgestemden en ervaringen en verlangens uit te wisselen. De parafilie BDSM lijkt de afgelopen jaren te normaliseren, met meer zichtbaarheid voor het brede publiek. Wie tegenwoordig BDSM intikt op Google krijgt diverse beginnershandleidingen, informatie over seksspeeltjes en advies om ‘vanille’ seks af te wisselen met wat spannendere vormen van seks. In 2013 is er door de Universiteit van Tilburg een onderzoek gedaan dat zelfs aantoont dat BDSM-beoefenaars psychisch gezonder zijn, [9] wat ons leidt tot de vraag of deze parafilie nog wel thuishoort in de huidige DSM.

‘Door seksuele stoornissen die strafbaar en schadelijk kunnen zijn voor anderen, zoals pedoseksualiteit, in één adem te noemen met seksuele voorkeuren zoals BDSM, is echter op zijn minst gezegd opvallend. ‘

Hoewel de DSM bedoeld is als handleiding voor therapeuten en behandelaren, heeft de DSM niet alleen een normerende maar ook een problematiserende werking bij het diagnosticeren en classificeren van gedrag. Seksuele gedragingen die in de huidige DSM als parafiele stoornissen worden genoemd zijn onder andere transvestie, exhibitionisme, fetisjen, BDSM[10] [11] – seksueel gedrag waarvan kan worden beargumenteerd dat deze over het algemeen door toestemmende volwassenen worden beoefend en uitgedragen[12] – maar ook parafilieën die anderen schade kunnen toebrengen, zoals pedofilie (pedoseksualiteit) en zoöfilie of bestialiteit (seksuele gevoelens voor dieren of seks met dieren) – hoewel ook hier de meningen over verdeeld zijn.[13] [14] Uiteraard hebben mensen die met het uitoefenen van hun seksuele voorkeuren anderen schade toebrengen hulp nodig. Door seksuele stoornissen die strafbaar en schadelijk kunnen zijn voor anderen, zoals pedoseksualiteit, in één adem te noemen met seksuele voorkeuren zoals BDSM, is echter op zijn minst gezegd opvallend.

Seksuele gedragingen te classificeren als ‘normaal’ of ‘abnormaal’ indiceert dat seks niet een uiting van genot is tussen twee of meerdere mensen, maar een sociale activiteit is die aan de heersende sociale verwachtingen van de maatschappij dient te voldoen. Seksueel gedrag kent echter ontzettend veel variaties, en kan uit van alles bestaan. Fetisjen, fantasieën en verlangens zijn eindeloos divers. Dat de DSM wordt gebruikt als handleiding, maakt hem nog niet leidend. Door het classificatieschema van de DSM te volgen, kunnen seksuele variaties van mensen geproblematiseerd worden, enkel omdat zij niet voldoen aan de heersende sociale norm. Dit lijkt me niet de bedoeling. Wat naar mijn mening wèl belangrijk bij seks is dat men enkel doet wat hij of zij wil, dat er sprake is van veilige seks, en dat er respectvol en zonder vorm van dwang of machtsmisbruik met elkaars lichaam wordt omgegaan. Of seksuele gedragingen dan als ‘alledaags’ of ‘afwijkend’ worden beschouwd, is wat mij betreft minder relevant. In plaats daarvan zou ik ervoor willen pleiten dat we ons vooral richten op hoe men als individu op een veilige en plezierige manier van alle mogelijke variaties van seks kan genieten.


[1] DSM-IV. (2001). Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. Utrecht: Swets & Zeitlinger Publishers.

[2] Patton, M. S. (1986). Twentieth-century attitudes toward masturbation. Journal of Religion and Health, 25(4). pp. 291-302.

[3] Kinsey, A. C., W. B. Pomeroy & C. E. Martin. (1948). Sexual Behavior in the Human Male. Philadelphia: Saunders Company; Kinsey, A. C., W. B. Pomeroy, C. E. Martin & P. H. Gebhard. (1953). Sexual Behavior in the Human Female. Philadelphia: Saunders Company.

[4] https://www.telegraph.co.uk/news/health/news/8618151/Homosexuality-is-a-Western-disease-says-Indian-minister.html

[5] https://www.theguardian.com/commentisfree/2007/sep/25/nohomosexualityhere

[6] Spitzer, R. L. (1981). The diagnostic status of homosexuality in DSM-III: A reformulation of the issues. American Journal of Psychiatry, 138(2). pp. 210-215.

[7] K. M. R. C. van den Berg. (2015). HOMO! Onderzoek naar de houding van de Nederlandse bevolking ten opzichte van homoseksualiteit, 1967-1997.

[8] https://www.trouw.nl/opinie/niet-iedereen-die-uit-de-pas-loopt-heeft-een-psychiatrische-stoornis~aa7ab0fc3/

[9] https://www.nu.nl/lifestyle/3489173/mensen-met-seksuele-fetisj-psychisch-gezonder.html

[10] https://dsm.psychiatryonline.org/doi/full/10.1176/appi.books.9780890425596.dsm19

[11] https://www.seksindepraktijk.nl/themas/parafili%C3%ABn-en-hyperseksualiteit

[12] http://www.issm.info/sexual-health-qa/how-common-are-paraphilias/

[13] https://www.nrc.nl/nieuws/2014/04/08/pedofilie-is-een-vorm-van-liefde-doe-er-niet-te-m-1364376-a1107060

[14] https://santitafarella.wordpress.com/2012/06/01/what-exactly-is-wrong-with-bestiality/

Referenties:

  • Berg, van den, K. M. R. C. (2015). HOMO! Onderzoek naar de houding van de Nederlandse bevolking ten opzichte van homoseksualiteit, 1967-1997.
  • DSM-IV. (2001). Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. Utrecht: Swets & Zeitlinger Publishers.
  • Kinsey, A. C., W. B. Pomeroy & C. E. Martin. (1948). Sexual Behavior in the Human Male. Philadelphia: Saunders Company.
  • Kinsey, A. C., W. B. Pomeroy, C. E. Martin & P. H. Gebhard. (1953). Sexual Behavior in the Human Female. Philadelphia: Saunders Company.
  • Patton, M. S. (1986). Twentieth-century attitudes toward masturbation. Journal of Religion and Health, 25(4). pp. 291-302.
  • Spitzer, R. L. (1981). The diagnostic status of homosexuality in DSM-III: A reformulation of the issues. American Journal of Psychiatry, 138(2). pp. 210-215.
  • Website DSM
  • Website International Society for Sexual Medicine
  • Website Santitafarella
  • Website Seksindepraktijk
  • Website NU.nl
  • Website NRC
  • Website The Guardian
  • Website Telegraph